De Britse psychiater John Bowlby beschreef hechting als een aangeboren systeem: wie bang is, zoekt de nabijheid van iemand die bescherming biedt, en voelt zich bij die persoon veilig (Bowlby, 1969). Voor peuters zijn dat meestal de ouders; bij volwassenen nemen een partner, goede vrienden en vaak ook de ouders die rol over. Het systeem slaat het sterkst aan bij stress, ziekte of afscheid.
Een hechtingsstijl beschrijft hoe iemand dat systeem meestal inzet. Je hoort ook wel ‘hechtingspatroon’ of ‘hechtingstype’, en dat betekent hetzelfde. Sommige mensen vragen gemakkelijk om steun en hebben er net zo weinig moeite mee om een tijd zonder de ander te zijn; anderen zijn bang om verlaten te worden; weer anderen redden het liever alleen. Zulke patronen ontstaan uit ervaring, en de psychologie onderzoekt ze al meer dan een halve eeuw, sinds Bowlby.
Over kinderen nog dit: hun hechting wordt met andere methodes onderzocht, en de categorieën uit de kindertijd vallen niet één op één samen met de stijlen van volwassenen. Een hechtingsstoornis, zoals de reactieve hechtingsstoornis bij jonge kinderen, is weer iets anders. Alleen een kinderpsychiater of psycholoog stelt zo’n diagnose, nooit een online test. Vanaf hier gaat deze pagina over volwassenen en over hoe het systeem van stijlen werkt.
